Hierdoor verlaten melkveehouders FrieslandCampina. Zelfs als dat ze een minder goed belegde boterham oplevert

Boeren keerden zuivelcoöperatie FrieslandCampina met honderden tegelijk de rug toe om naar andere zuivelaars te vertrekken. Gek, want FrieslandCampina was nog steeds koploper in de melkprijs. Welke gebeurtenissen hebben ertoe geleid dat boeren hun coöperatiehart verloren? In gesprek met melkveehouders en FrieslandCampina

‘’In de tijd dat mijn ouders het bedrijf nog runde was FrieslandCampina, toen nog Frieslandfoods, een bedrijf om trots op te zijn.’’ Jos Rotteveel schenkt sterke zwarte koffie in. De melkveehouder draagt een polo boven een spijkerbroek. Zijn klompen staan naast de voordeur. Ernaast hangt een blauwe overall. De geur van het boerenerf is de keuken binnengedrongen. 

Jos en zijn vrouw boeren sinds 2004 op de vruchtbare grond in het Friese Irnsum. De moderne stal is van alle gemakken voorzien voor de honderdvijfentwintig zwartbonte dames die dagelijks aan de melkmachine worden vastgekoppeld. De boerderij is van generatie op generatie doorgegeven. Ook in de tijd van Jos zijn ouders kwam de melkwagen van Friesland Foods drie keer per week de volle tanks leegpompen. ‘’We waren tevreden bij de coöperatie. De lijntjes waren kort en de leden werden betrokken bij het reilen en zeilen van de fabriek. Je runt eigenlijk met elkaar een bedrijf. Het was een grote familie. Maar toen kwam die fusie.’’

De fusie tussen Friesland Foods en Campina zorgde voor een ommezwaai in de positieve band die de familie Rotteveel voelde met de coöperatie. ‘’De afstand tussen veehouders en de fabriek werd steeds groter. Langzaam vatte ik het idee op om over te stappen naar concurrent A-ware.’’ Maar dat stuitte op onbegrip bij collega-melkveehouders en familie. ‘’Ik heb er heel veel slapeloze nachten om gehad.’’

Melkveehouder Jos Rotteveel. Foto: Boerenbusiness.nl

Twee coöperaties worden één

FrieslandCampina is het liefdeskind van twee Nederlandse coöperaties: Friesland Foods en Campina. Het ene bedrijf diepgeworteld tussen de groene weiden van Fryslân. Het ander tussen de bossen en velden van de Zuid-Nederlandse Kempen. Half december 2007 kondigden de twee zuivelaars aan te willen fuseren. 17 december van het daaropvolgende jaar stemde de Europese Commissie in met de fusie op voorwaarde dat de nieuwe onderneming enkele activiteiten moest afstoten. Eén van de voorwaarden was dat leden-melkveehouders die hun lidmaatschap van FrieslandCampina wilden beëindigen en die hun gangbare melk gingen leveren aan een andere afnemer van boerderijmelk in Nederland, een premie zouden ontvangen van vijf eurocent per liter melk, de zogenaamde vijf cent regeling. Onder boeren gekscherend de ‘oprotpremie’ genoemd.

Nog op dezelfde dag gaven de leden-melkveehouders groen licht voor de fusie. Op 30 december 2008 was er een zuivelgigant geboren. Vandaag de dag heeft FrieslandCampina vestigingen in 34 landen, 23.769 medewerkers, 18.261 leden-melkveehouders in Nederland, Duitsland en België en een jaaromzet van 11,6 miljard euro.

‘’Campina had het alleen niet gered’’

Het was vooral zijn gevoel dat Rotteveel vertelde dat die fusie geen goed idee was. ‘’Friesland Foods was een heel sterk bedrijf en Campina was dat niet. Dat was op zichzelf waarschijnlijk een doodloper geworden. Met de komst van Campina nam de ontevredenheid toe.’’ Op ledenvergaderingen werd er niet meer naar de boeren geluisterd vertelt Rotteveel: ‘’Je kon vragen stellen maar daar hoorde je vervolgens nooit meer wat op. Dat waren wij niet gewend. Bovendien heb ik het gevoel dat de ledenraad gevoed werd vanuit de top. Alle voorstellen, ook hele discutabele, kwamen met glans door de ledenraad heen. Dat is toch niet te geloven. Alles!’’

Toch dacht Rotteveel nog steeds niet aan opstappen: ‘’Ze betaalden nog steeds goed uit. Geld speelt gewoon een rol. In Nederland zijn werkenden gewend dat de lonen omhoog gaan maar wij veehouders hebben vanaf de jaren tachtig niks meer gekregen voor een liter melk. Ondertussen lopen de kosten wel op.’’

Paniekvoetbal

Melkveehouder Jacob van der Wal snapt de onvrede die heerst onder zijn collega boeren. Als lid van de coöperatie heeft Van der Wal ook de nodige bedenkingen gehad door de jaren heen. Toch blijft hij de fabriek trouw. Dat is niet altijd gemakkelijk vertelt hij: ‘Als je vroeger op verjaardagspartijtjes kwam hier in de buurt dan was het enkel lof over FrieslandCampina. Nu kijken ze je meewarig aan.’ De overstappers laten zich teveel leiden door emotie legt Van der Wal uit. ‘’Als de melkprijs laag is, verschrikkelijk laag, dan is het heel erg moeilijk om een inkomen binnen te harken om je gezin mee te voeden.’’ Het melkgeld maakt voor familie van der Wal meer dan de helft uit van het inkomen. ‘’Als die melkprijs bij FrieslandCampina dan net twee cent lager is per liter dan bij de concurrent dan spreekt dat natuurlijk wel aan.’’ Maar als boer moet je een langetermijnvisie hanteren: ‘’Als je het over vijf jaar bekijkt dan is FrieslandCampina nog altijd koploper in de melkprijs.’’

Melkveehouder Jacob van der Wal. Foto: Anne van der Woude op Boerderij.nl

Landbouw op de schop

Om te begrijpen waar de problemen tussen melkveehouders en FrieslandCampina mee te maken hebben nemen we een stap terug in de tijd, de Tweede Wereldoorlog ligt nog voor ons maar daar heeft niemand nog weet van. Op het platteland voltrok zich een grote verandering. Boeren begonnen samen te werken om de hoeveelheid geproduceerde melk te verwerken tot kaas, yoghurt en andere zuivelproducten. Melk is een kwetsbaar product met een korte houdbaarheid. Slimme handelaren speelden daarop in door te wachten met aankoop. Een dag later moest de boer toch wel van zijn handelswaar af. Om de koopmannen te slim af te zijn, bundelden boeren hun krachten en de voorlopers van FrieslandCampina en consorten werden geboren.

Op de puinhopen die de oorlog achterliet werd een nieuw Nederland gebouwd. De landbouw ontkwam niet aan de vernieuwingsdrift waarmee die opbouw gepaard ging. Door middel van ruilverkaveling werd het boerenland opnieuw ingericht. Rivieren werden rechtgetrokken en nieuwe wegen aangelegd. De mechanisering en schaalvergroting van de landbouw namen een grote vlucht. Nederland werd optimaal ingericht om landbouw te bedrijven.

Van nooit meer honger naar baantjes trekken in de melkplas

Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid werd opgericht in 1957. Eén van de grondleggers van dit beleid was de Nederlandse eurocommissaris Sicco Mansholt. Aanleiding voor het nieuwe beleid waren de voedseltekorten tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. De Europese Unie besefte dat zij zoveel mogelijk onafhankelijk moest zijn van voedselimport uit andere landen. Door handelsbarrières binnen de Unie op te heffen en door boeren een minimumprijs voor hun producten te garanderen steeg de productie van voedsel naar ongekende hoogten. 

Het is niet moeilijk om de spreekwoordelijke boterbergen en melkplassen in te beelden die ontstonden uit de productiedrift. Overschotten die agrariërs niet meer kwijt konden op de Europese afzetmarkt en dus dumpten op de wereldmarkt. Nederlandse boeren kregen hun gegarandeerde minimumprijs toch wel. Voor boeren in Derde Wereldlanden was dat echter een ander verhaal. Zij konden met hun prijzen niet op tegen de gesubsidieerde producten en bleven met hun waren zitten.

→ Nieuwsgierig naar  Sicco Mansholt? Lees hier een achtergrondverhaal op de Correspondent.

Ondersteuning boeren brokkelt af

Om Derdewereldlanden een eerlijkere concurrentie te gunnen werden boeren gestimuleerd om minder te gaan produceren. Door de jaren heen werden er verschillende prikkels ingevoerd om dit voor elkaar te krijgen. Eén van die prikkels was het melkquotum. Vanaf 1984 gold een Europees melkquotum op koeienmelk voor elk land dat lid was van de Europese Unie. Het quotum moest de zeeën van melk en de boterbergen laten slinken tot poeltjes en heuvels.

Het melkquotum was van kracht tussen 1984 en 2015. Het gaf de hoeveelheid koeienmelk aan die een boer maximaal mocht melken. Andere melksoorten bijvoorbeeld van geit of schaap waren vrij van productiequota.  De melkrechten mochten verhandeld worden onder melkveehouders. Boeren die wilden uitbreiden konden bijvoorbeeld de melkrechten opkopen van boeren die juist stopten met hun melkveebedrijf. Als boeren toch meer melk produceerden dan hun quota toeliet dan konden zij rekenen op een boete.

Vanaf 1992 werd het systeem van prijsondersteuning, de minimale garantieprijzen, geleidelijk afgebouwd en vervangen door directe subsidies. Deze subsidies waren nog wel gekoppeld aan de geproduceerde hoeveelheden. Tot 1992 was het leven voor de gemiddelde boer redelijk overzichtelijk. Er werd veel geproduceerd en bij tegenvallende resultaten waren daar de subsidies om de hardste klappen op te vangen. In de jaren die volgden werd de inkomenssteun verder ontmanteld tot op het punt waar we vandaag zijn aangekomen. Boeren krijgen een vast bedrag per hectare. Vanaf 2019 krijgt iedere boer dezelfde waarde per hectare uitgekeerd mits hij aan bepaalde duurzaamheidseisen voldoet. Zo moet de hedendaagse boer rekening houden met een hele reeks milieueisen, het dierenwelzijn in de gaten houden en zich houden aan gezondheidsrichtlijnen om ziektes bij mensen, dieren of planten te voorkomen of onder controle te houden. Het feit dat boeren met veel eigen grond meer profiteren van deze regeling dan de kleinschalige boer is weer een ander verhaal waard. Lees bijvoorbeeld dit verhaal van de Volkskrant eens.

Geen steun maar wel eisenpakket

De wereld om ons heen is constant aan verandering onderhevig: ‘’En in die veranderende wereld moet de boer van vandaag zich staande zien te houden.’’ Aan het woord is Frans Keurentjes, in het dagelijks leven bestuurder en voorzitter van FrieslandCampina en daarnaast melkveehouder in Groningen. Keurentjes zegt te begrijpen waar de frustraties van de leden-melkveehouders vandaan komen: ‘’De omstandigheden voor boeren zijn de afgelopen twee decennia enorm veranderd. Nagenoeg alle steun is afgebouwd en daarvoor in de plaats ligt er een dik eisenpakket op tafel.’’ Ook de voedselproductie is allang niet meer zoals het ooit geweest is. Kleinschalig en gericht op het voeden van het eigen volk: ‘’We hebben te maken met steeds meer maatschappelijke en politieke eisen op het gebied van hoe ons eten wordt geproduceerd. We concurreren met de Russen, de Chinezen, de Amerikanen, met de hele wereld eigenlijk. Daar gelden andere normen.’’

Frans Keurentjes. Foto: FrieslandCampina

‘’Bovendien hebben boeren heel lang een beschermde positie gehad. Zowel door de overheid als door de coöperatie. Maar FrieslandCampina moet zich ook aanpassen aan de eisen van de markt. En omdat die veranderingen zo snel gaan krijg je heel veel onrust onder de leden-melkveehouders.’’ Het steeds globaler wordende landschap waarin de boer zich moet zien te redden is één trend. De wensen van de consument veranderen ook: ‘’De boeren die thuis aan het melken zijn en op hun trekker rijden, hebben dat niet zo door. Die produceren melk die elke drie dagen netjes wordt opgehaald. Zij missen het dagelijkse contact met markt’’ aldus Keurentjes.

Frans Keurentjes: Boeren hebben geen contact met de markt

Meer melk(keuze) is goed voor elk

Dat hij geen zicht heeft op de grillige wens van de consument vindt melkveehouder Van der Wal veel te kort door de bocht: ‘’Er is een verschil tussen consument en burger. Die burger zegt op een verjaardag dat ze graag biologische melk willen maar halen de melk vervolgens wel bij de Lidl. Die is ook wit hè.’’ 

Toch zet FrieslandCampina vol in op het uitbreiden van het aanbod van diverse melkstromen. Naast reguliere melk, biologische melk, gentech-vrije oftewel VLOG-melk en weidemelk staan er sinds december 2018 de eerste melkpakken met het ‘On the way to PlanetProof’ -melk in het koelschap van de supermarkt. Het keurmerk, door MilieuCentraal aangewezen als zogenaamd Topkeurmerk, staat op zuivelproducten die het milieu minder zwaar belasten dan vergelijkbare producten. Bovendien moet de koe die de melk produceert minimaal 120 dagen per jaar, 6 uur per dag in de wei staan.

Klant is koning

Nog zo’n wens van de consument legt Keurentjes uit: ‘’Iedere boer weet dat weidegang voor een koe helemaal niet beter of slechter is. Maar het is een wens van de consument dat koeien buiten lopen. Dus hebben we als FrieslandCampina gezegd, u vraagt wij draaien. We gaan ervoor zorgen dat koeien buiten lopen.’’ Maar die blije huppelende koeien dan? Zijn die echt net zo blij in een stal als onder het zonnetje in een groene frisse weide?

Frans Keurentjes: Koeien zijn binnen net zo blij als buiten

De melkveehouder in Keurentjes legt het uit: ‘’Een koe is net als een paard. Het mag dan een kuddedier zijn maar je behandelt het individueel. En wat die koe wil is voorspelbaarheid, zekerheid en vastigheid. Het dier probeert alles zo te organiseren dat hij alles altijd hetzelfde heeft. Maar het weer houdt geen rekening met de wensen van de koe en de boer doet wel. Binnen in een geconditioneerde omgeving waar de koe de ruimte heeft om zich vrij te bewegen, zijn natje en z’n droogje heeft, is het voor die koe beter dan buiten. Alleen dat strookt niet met het beeld dat de consument en de klant willen. Dus is het de kunst om daaraan te voldoen.’’

Opnieuw melkplassen?

Op 1 april 2015 ging een lang gekoesterde wens van de Nederlandse melkveehouder in vervulling, het melkquotum werd afgeschaft.  Boeren begonnen enthousiast met het bouwen van nieuwe stallen en jongvee werd overal vandaan gehaald. Vandaag, vier jaar na afschaffing, lopen er zo’n honderdduizend extra koeien in de wei.

En waarom zou die boer ook niet gaan uitbreiden als de mogelijkheid zich aandient? Met een melkprijs van 31 cent per liter melk in 2015 (35 cent in juli 2019) kan hij eigenlijk niet anders. Tel de forse investeringen die gemoeid gaan met de bouw van grotere stallen en de kosten voor het verduurzamen van het bedrijf bij elkaar op en je begrijpt het lastige parket waarin hij zich in bevindt.

Maar zo’n explosieve groei zag FrieslandCampina niet aankomen: ‘’De productie steeg in twee jaar tijd tot wel vijfentwintig procent. Tussen 2010 en 2015 steeg de productie jaarlijks met anderhalf procent. De fabriek liep tegen een verwerkingsprobleem op’’, vertelt Keurentjes. Iets wat volgens Van der Wal geen verrassing had moeten zijn: ‘’Als een melkveehouder niet meer tegen beperkingen aanloopt wat doe ie dan? Die gaat melken tot ie er dood bij neervalt. Groeien, groeien en nog eens groeien.’’

Melk door het riool

Het overschot aan melk wordt verwerkt via een soort van afpelschema: ‘’Eerst zet je alle fabrieken maximaal vol. Vervolgens probeer je de melk te verkopen aan andere afnemers. In noodsituaties geef je de melk voor niks weg. En wil niemand het meer hebben dan rest het riool.’’ Een horrorscenario volgens Keurentjes: ‘’Want melk is een hoogwaardig product. Dat spoel je niet eventjes door de goot.’’ En dus moesten er andere plannen gemaakt worden om te voorkomen dat de melk gedumpt moest worden. FrieslandCampina voert een actief ontmoedigingsbeleid. Boeren kregen een premie als ze minder melkten en een boete wanneer ze teveel melk leveren. En daar zat Rotteveel niet op te wachten: ‘’Ik wilde gewoon vrij melken en had geen zin in een nieuw quotum. Want dat was het gewoon.’’ Het ontmoedigingsbeleid werd volgens Van der Wal inderdaad opgevat als een fabrieksquotum: ‘’Maar het waren vooral de grote jongens die bij FrieslandCampina vertrokken. Er ging dus heel veel melk weg bij de coöperatie en toen moesten in de haast gebouwde fabrieken de deuren weer sluiten.’’

Fosfaatwetgeving als verrassing

Mocht 1 april 2015 dan onthaald worden als ‘bevrijdingsdag’ voor melkveehouders. De fosfaatwetgeving die van kracht ging op 1 januari 2018 kwam voor veel boeren als een totale verrassing. Met de afschaffing van het melkquotum dachten veel boeren de weg naar maximale groei bevrijd te zien van enig obstakel. Helaas bracht de schaalvergroting een nieuw probleem aan de oppervlakte: te veel mest. De uitbreiding van de veestapel zorgt tegelijkertijd voor een enorme toename van de uitstoot van broeikasgassen zoals methaan en CO2. Om die uitstoot terug te dringen werden boeren fosfaatrechten toebedeeld aan de hand van het aantal koeien die hij op 2 juli 2015 op stal had staan. Hoe meer koeien, hoe meer rechten.

Wat volgden was dat boeren voor 2 juli 2015 de stallen maximaal vol zetten en waar mogelijk nog verder uitbreiden uit angst zichzelf in de vingers te snijden. En dat was nou juist niet de bedoeling. Het stelsel van fosfaatrechten moet juist zorgen voor een inkrimping van de veestapel.

Maar er zit ook een andere kant aan het fosfaatverhaal: ‘’Voor de boer die net zijn stallen maximaal vol had gezet pakte de fosfaatwetgeving niet heel verkeerd uit’’, vertelt Van der Wal. ‘’Maar ik had in die tijd enorme muizenoverlast op het erf. Ik had om die reden koeien afgestoten en ik kreeg dus minder rechten. Dat is niet grappig.’’ Boeren kunnen extra rechten bijkopen. Fosfaatrechten worden uitgedrukt in kilogrammen fosfaat: 1 recht is 1 kilogram fosfaat. 1 fosfaatrecht kost de boer op dit moment zo rond de 160 euro.

Fosfaatwetgeving als probleemoplosser voor teveel melk

Rotteveel gokt dat FrieslandCampina flink heeft gelobbyd om de fosfaatwetgeving erdoor te krijgen: ‘’Met maar één doel en dat is minder melk.’’ Een aanname die Frans Keurentjes met klem ontkent: ‘’Dat is pure onzin. Fake news. Het wordt veel geroepen omdat FrieslandCampina er wel bij betrokken is geweest maar wij waren daar niet alleen in.’’

De gehele zuivelsector en ook de LTO (Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland) heeft deelgenomen aan de vergaderingen van de NZO (Nederlandse Zuivel Organisatie). Het bestuur van de NZO bestaat uit vijf leden waarvan er drie bij FrieslandCampina vandaan komen. De coöperatie heeft namelijk tachtig procent van de melk in handen dat gaat gepaard met een bepaalde zetelverdeling: ‘’Maar het fosfaatverhaal is een regeling vanuit de overheid en niet vanuit de zuivel’’, zegt Keurentjes enigszins verbolgen.

De LTO is de belangenbehartiger van de boeren en tuinders. De organisatie bestaat uit een samenwerkingsverband tussen LTO Noord (voor provincies boven rivier de Maas), ZLTO (Zeeland, Noord – Brabant en Zuid – Gelderland) en de LLTB voor agrariërs in Limburg. 
De NZO is de branchevereniging van de Nederlandse Zuivelindustrie. Haar dertien leden zijn allemaal zuivelondernemingen waarvan FrieslandCampina de grootste is.

Fosfaatwetgeving als opstapje naar schaalvergroting

De fosfaatwetgeving bleek in combinatie met de vijf cent regeling en de melkbeperkingen bij FrieslandCampina juist een prikkel voor boeren om te vertrekken bij de coöperatie. Om vervolgens elders met de vrijgekomen financiële middelen extra fosfaatrechten te kopen en het bedrijf uit te breiden. ‘’De afgelopen 10 jaar zijn er ieder jaar misschien 5 of 10 vertrokken, maar nu in 1 jaar meer dan 300. Dus die premie zal voor mensen wel meegespeeld hebben’’, aldus Keurentjes. Het vertrek van de leden-melkveehouders kwam hard aan bij de coöperatie: ‘’Het geeft heel veel onrust. Maar goed, het is net als met voetbal. Als Ajax kampioen is dan wil iedereen erbij zijn. Maar als ze een tijdje minder goed presteren dan loopt de helft van het volk weg.’’

‘’Als Ajax kampioen is dan wil iedereen erbij zijn. Maar als ze een tijdje minder goed presteren dan loopt de helft van het volk weg.’’

Heeft een melkveehouder eenmaal de keus gemaakt om de coöperatie te verlaten dan is terugkeer bij FrieslandCampina geen optie: ‘’Wij zijn geen filantropische instelling. De zittende boeren hebben er geen belang bij om nieuwe weer toe te laten. We hebben genoeg melk en posities. Als boeren met hangende pootjes terugkeren draagt dat niet bij aan de verbetering van de zittende leden.’’

De sprong wagen

Ondanks de waarschuwingen van familie en collega-melkveehouders heeft Rotteveel na vele slapeloze nachten de knoop doorgehakt. Hij waagt de sprong naar concurrent A-ware. Het coöperatiegevoel dat zijn voorouders nog wel hadden bij Friesland Foods is bij Rotteveel helemaal verdwenen. De geschonden afspraken, de melkbeperkingen en vooral het gebrek aan open communicatie waren de spreekwoordelijke druppels die het vuur in zijn coöperatiehart doofden. Dat het tegenstrijdig klinkt om bij een coöperatie te vertrekken en de overstap te maken naar een privaat bedrijf vanwege het ontbrekende coöperatiegevoel snapt Rotteveel: ‘’Maar bij A-ware ben ik tenminste baas op mijn eigen erf. Als ik straks A-ware bel met een vraag dan hebben zij direct een antwoord voor me. Daar stroomt nog wel melk door de aderen. Zij begrijpen de boeren.’’ Het risico dat de overstap met zich meebrengt neemt de melkveehouder voor lief: ‘’Veel mensen uit mijn omgeving vonden de stap om naar A-ware te gaan een risico. Vooral als het ging om melkgeld. Dat is natuurlijk ook zo. Ik moet ook voor brood op de plank zorgen. Maar aan de andere kant… Mijn gevoel zegt me dat dit de juiste keuze is. Misschien zeg ik over vijf jaar wel, ik heb een verkeerde stap gemaakt. Maar dat is het risico van ondernemen.’’